Tiberias

Terugblik 4

(priester Arnold blikt terug vanuit zijn kot tijdens de  pandemie)
Geloof en geloven is twee

Terugblik 4: Geloof en geloven is twee

Het geloof is een zelfstandig naamwoord en verwijst bij een eerste zicht op het (stomweg) stellen van geloofsdaden, zoals naar de mis gaan, de sacramenten ontvangen en gebeden opzeggen.

Geloven is een werkwoord om van die praktijken werk te maken en ze een ziel te geven, om die met hart en ziel te beleven…

Ik kijk, in eenheid met de oude generatie naar de tijd van vroeger, met de vraag: Hoe is dat geloof tot ons gekomen? Hoe is die geloofsoverdracht gebeurt? Het geloof is ons met de paplepel meegegeven en we zijn er van jongs af mee opgegroeid. Mijn moeder, en er waren er nog, vroeg mij: waar is uw neusje? en waar is Jesuke? En ik kneep in mijn neus en wees naar het kruisbeeld aan de schouw. Er werd thuis gebeden en elke zondag gingen we mee naar de kerk. Er werden geen vragen gesteld. We deden na en gingen mee. Zo de ouden zongen, zo piepen de jongen.

Guido Gezelle heeft dat geloof van vroeger in 1896 mooi verwoord:

’t Eerste dat mij moeder vragen
leerde, in lang vervlogen dagen
… ’t was te gader
bei mijn handjes doende: ‘Vader,
geef ons ’n kruiske, als ’t u belieft!’

‘k Heb dat kruiske toen gekregen
menig keer en werd geslagen
op mijn kake, zachte en zoet…
maar dat kruiske, ’t is geschreven
diep in mijn kop gebleven.

Nu volgt de indringende vraag: Waarom lukt het niet langer om dat eeuwenoude en diep ingewortelde geloof door te geven? Wat vroeger vanzelfsprekend was en als algemene regel gold, gaat nu niet meer op. Feit is dat het christelijk geloof in West-Europa niet meer aanslaat. De kinderen en kleinkinderen slaan dat traditionele geloof klakkeloos over. Dat meedoen en meelopen doen ze niet langer. Zij weigeren resoluut en sommigen verwerpen zelfs dat geloof. Zij hebben die oude Sinterklaasgod, als geven van alle goeds, niet eens meer nodig. Zij zijn terdege onderricht en opgeleid, ze zijn jong en gezond, zijn gesetteld en genieten alle welzijn… Ze redden het zonder god (voorlopig toch) maar noemen zich wel nog gelovig. Velen (het gaat wel in een dalende lijn) laten hun kinderen nog dopen; zij doen hun eerste communie en worden meestal gevormd. Die vieringen ontroeren wel, maar krijgen geen vervolg. Het is heel jammer dat het geloven wegdeemstert. Zij komen na zes of zeven jaren even terug voor het volgende sacrament. Dit sacrament krijgt geen verhaal en is de aanloop naar een heus familiefeest en dat mag; maar de kerkelijke viering mist zijn gelovige diepgang.

Deze grootouders zijn niet de enigen die niet in staat waren de eigen geloofsovertuiging door te geven. Ook de priesters ging het niet voor de wind. De oudsten hebben de laatste jaren van het rijke Roomse leven nog gekend en zij waren daarbij niet de “pastoors van de bloeiende wijngaard” (Ernest Claes). Zij hebben alles getest en uitgeprobeerd, maar het geloven sloeg niet meer aan. De geloofspraktijken kalfden verder af en de kerken liepen leeg. De massakerk van weleer blijft zitten met een kleine rest. Ook het onderwijs met de opvoeding in de christelijke scholen hebben die terugval van het geloof niet kunnen tegenhouden. Heel wat bonden en verenigingen, die van huize uit katholiek gelovig waren, hebben de K van katholiek) of de C van christelijk uit de namen gewist.

De kapitale vraag: hoe kon die teloorgang van het christelijke geloven gebeuren? Zelfs het tweede Vaticaans Concilie (1962-1965), juist bedoeld om het geloven nieuw leven in te blazen, heeft het getij (nog) niet kunnen keren. Er zijn wellicht meerdere redenen om dit te verklaren, zoals de Kerk zelf, die niet mee is met haar tijd. Maar zonder enige twijfel is de tijdsgeest de grote kwelduivel, die het geloven moeilijk maakt.

Friederich Nietzsche laat Zarathoestra deze quote zeggen “God is dood, God blijft dood en we hebben hem vermoord.” De secularisatie heeft God uit onze samenleving gebannen. Saeculum betekent in het Latijn een lange periode, een tijdperk, in een tweede betekenis de tijdsgeest en uiteindelijk gewoon de wereld. God is wereldvreemd en in de huidige samenleving onzichtbaar. Het is helemaal in tegenstelling met vraag 28 van de oude catechismus: “Waar is God? God is overal, in de hemel, op de aarde en op alle plaatsen.” In die vroegere tijd was God almachtig en alomtegenwoordig; Hij was de gever van alle goeds, leven en dood, gezondheid en ziekte, dag en nacht en ga maar door. Hij was de alfa en omega, begin en einde; alles kwam uit zijn handen.

De huidige generaties hebben Kerk en geloof geleidelijk achterwege gelaten. Geloven speelt niet langer of nauwelijks nog een rol in hun leven. De meesten zijn niet gekant tegen het geloof, maar ze zijn er ook niet voor. Dat wil ook zeggen dat wie op vandaag nog gelovig wil leven, zal moeten kiezen en die keuze is niet vanzelfsprekend. Het wordt een hele opgave en het vraagt moed om in deze tijd het geloof te belijden, te beleven en er zonder schaamte voor uit te komen.

De mens heeft veel geleerd en de wetenschap kan veel verklaren en wij staan nu ook heel zelfbewust met beide voeten op de grond. Die transcendente (onzichtbare) God is niet zintuiglijk aanwijsbaar en ook niet bewijsbaar voor het verstand. Geloven is niet meer vanzelfsprekend. De enige zichtbaarheid die we kunnen geven aan die onverklaarbare God is zijn ééngeboren Zoon, voor ons gebroken in de dood. Hij schenkt zich weg onder de gedaante van Brood en Wijn. Het vraagt in alle eenvoud een diep geloof om dat te bekennen.

Het wordt op vandaag een gelovige zoektocht. Wij mogen vragen stellen en onzeker worden en moeten aan het mysterie van die levende God ruimte geven. Twijfelen en aarzelen, maar blijven zoeken in plaats van alleen te willen vinden. Geloven in plaats van te willen begrijpen hoe God ons nabij komt in het mysterie van zijn Zoon, de Gezalfde.

Geloof is een gave en geloven een werkwoord.

(Arnold, pr.)

Trek weg (detail glasraam 1 van De drie Goddelijke deugden sacristie Antoniuskerk Heist)
Abraham de vader van het geloof
Scroll naar top