Tiberias

Vierde Paaszondag – Roepingenzondag

Geen huurlingen, wel herders gezocht

Boodschap van priester Philippe bij roepingenzondag

Kleurplaat

Woorden voor God gedeeld met elkaar

Lieve God,
Dank U om van mij en van mijn dierbaren te houden.
Wil ons alstublieft beschermen
tegen ziekten en verlies.
Ik zal blijven bidden tot U.
Dank U voor het goede leven
waarin U mij voorzien hebt tot op vandaag.

(J.P. vertaling uit het Engels)

Woorden voor elkaar gedeeld met elkaar

Terugblik 3
(priester Arnold blikt terug vanuit zijn kot tijdens de  pandemie)

Hij leeft, alleluia!

Na de veertigdagentijd van de vasten volgen in de liturgie na Pasen nog eens veertig dagen, om de rouwverwerking van Jezus’ dood. De vier evangeliën geven alleen de bevindingen weer van de intimi, de elf leerlingen en drie vrouwen en hoe zij na verloop van tijd, tot rust gekomen zijn en tot het geloof dat Hij leeft. Het is hen niet van de ene dag op de andere gelukt. Het verdriet was te groot en ook de ontgoocheling. Zij hadden op de ereplaatsen in dat nieuwe rijk gerekend en zagen zich zitten links en rechts van Koning Jezus. De fatale gebeurtenissen hebben hen verlamd en het heeft tijd gekost om tot dat Paasgeloof te komen.

Er zijn vier verrijzenisverhalen, die zeven keer in de evangeliën verteld worden. Die verhalen zijn evenwel veertig tot zeventig jaren na datum neergeschreven. De gewijde schrijvers hebben, zo goed als zeker, Jezus niet gekend en wat zij weten is van horen zeggen. Zij hebben de verhalen – tot dan toe van mond tot mond overgeleverd – te boek gesteld.

Wat lezen we? De intimi vertellen dat ze Jezus uit het graf hebben gezien als een mens van vlees en bloed. Hij stond er in een verheerlijkt lichaam met heel duidelijk de bloederige littekens van de nagels in handen en voeten en in zijn zijde de speerstoot. Zij kunnen en durven hun ogen niet geloven.

“Tot hun verbijstering en door angst overmand meenden ze een geestverschijning te zien.” (Lc 24,37), “Geen van de leerlingen durfde hem vragen wie Hij was” (Joh. 21,12).

Hij komt zo maar binnen, terwijl de deur op slot is en de vensters gebarricadeerd zijn uit schrik voor de Joden (Joh. 20,13). Hij spreekt met hen en laat zijn wonden zien; Thomas mag die zelfs aanraken. Bij het meer van Tiberias eet Hij met hen brood en vis.

Wat vertellen deze verschijningsverhalen? Wat is bij de apostelen onvergetelijk blijven hangen? De Passie van Jezus met dat onnoemelijk lijden en zijn dood aan het kruis; dat Hij dood en begraven is. Eigenlijk deden zij wat wij ook doen: honderduit vertellen hoe onze dierbaren gestorven zijn en hoe zij hun laatste dagen en/of uren gestreden hebben. Dat verhaal vertellen wij ook, tien – twintig keren en nog, aan elk die komt condoleren; en we blijven het aan iedereen vertellen. Het kunnen vertellen verzacht de pijn; zwijgen en wenen drukt nog zwaarder.

De intimi hebben het ook verteld, hoe zwaar hun Meester geleden heeft en hoe Hij aan dat kruis gehangen heeft. Zij zijn, na enige tijd, tot inzicht gekomen, zeg maar tot het geloof dat Hij thuisgekomen is bij de hemelse Vader en dat Hij daar zetelt aan Gods rechterhand. Johannes vult aan met de boodschap dat Jezus met dat sterven aan het kruis de dood overwonnen heeft: “Wees niet ongerust, maar vertrouw op God en op mij. In het huis van mijn Vader zijn heel veel kamers…. Wanneer Ik een plaats voor jullie heb gereed gemaakt, kom Ik terug en zal jullie meenemen en jullie zullen zijn waar ik ben.” (Joh. 14,1-3).

De vierde evangelist heeft niet alleen de Passie voor ogen; bij hem waren ook die laatste woorden van Jezus onvergetelijk. Vijf hoofdstukken van zijn evangelie (Joh. 13-17) vertellen dat hoogepriesterlijk gebed dat eindigt: “Heilige Vader, bewaar hen, dat zij één mogen zijn, zoals wij één zijn” (Joh. 17,11); tien verzen verder: “Laat hen één zijn, zoals U in mij bent en Ik in U; mogen zij volkomen één zijn.” (Joh. 17,21)

Ook hier horen wij dezelfde woorden van onze dierbaren: een moeder die op haar sterfbed vraagt: “kinderen, kom toch goed overeen” en mijn tante Irma vroeg haar zeven kinderen: zorg toch goed voor Annaatje, haar achtste kind met het syndroom van Down.

Die lievelingsleerling rept met geen woord over de instelling van de Eucharistie, maar heeft in geuren en kleuren de voetwassing verteld zowel van Petrus als van Judas. “Jezus legde zijn bovenkleed af, sloeg een linnen doek om en goot water in een waskom. Hij waste de voeten van alle twaalf zijn leerlingen en droogde ze af met de doek die Hij omgeslagen had.” (Joh. 13, 4b-5) “Toen Hij hun voeten gewassen had, deed Hij zijn bovenkleed aan en ging weer naar zijn plaats. “Begrijpen jullie wat ik gedaan heb” vroeg Hij “Jullie zeggen altijd ‘meester’ en ‘Heer’ tegen mij, en terecht, want dat ben ik ook. Als ik, jullie Heer en jullie Meester de voeten gewassen heb, moet je ook elkaars voeten wassen. Ik heb u een voorbeeld gegeven; wat ik voor jullie gedaan heb, moeten jullie ook doen. Waarachtig, ik verzeker jullie, een slaaf is niet meer dan zijn meester. Je zult gelukkig zijn als je dit niet alleen begrijpt, maar er ook naar handelt.” (Joh. 19, 12-17). De jongste leerling heeft het geestelijk testament van Jezus het best begrepen: bewaar de onderlinge communio, “wees allen één, en wees ook dienaars – sta elkaar ten dienste.

En wat met Maria-Magdalena, de vrouw die Jezus liefhad? Hoe heeft zij de dood van Jezus verwerkt? Zij had in het huis van Simon reeds zijn voeten gebalsemd (Lc 7,38). Zij houdt het kruishout van de stervende jezus omkneld en was als eerste bij het (lege) graf. “Huilend boog zij zich naar het graf en zag dat het leeg was” (Joh. 20, 11-12) en vraagt aan de tuinman “vertel me waar u hem hebt neergelegd.” Jezus zei: “Maria” en zij draaide zich om en zei: “Rabboeni” (dat betekent meester) “Houd me niet vast” zei Jezus “Ik ben nog niet opgestegen naar mijn Vader.” (Joh. 20, 15-17a)

Een dode kan je niet vasthouden, moet je loslaten. Men kan alleen de herinneringen aan hem of haar levend houden. Maria-Magdalena zal ook het verlies zwaar aangevoeld hebben. Maar het leven gaat verder en met de doden doe je niet voort. Wat nu voor onze lieve doden het geval is, gaat echter niet op met Christus de Messias: Hij leeft, Alleluia.

En wij, ik en u? Hoe beleven wij die veertig dagen na Pasen? Wij bevinden ons ook in die tussentijd van de intimi, van zien en toch niet zien, van geloven en ook twijfelen. Jezus was dood en begraven en in de Paasnacht was het graf leeg. Wij weten dat de verschijningsverhalen geen historische verslagen zijn van de gebeurtenissen; het zijn geloofsverhalen.

De leerlingen hebben in hun rouwproces afstand moeten doen van de levende Heer en Meester. Hun ogen hebben in geloof gezien dat Hij nabij komt waar twee of drie in zijn naam samenkomen; Zij geloven dat Hij aanwezig komt als zij zijn woorden horen en zijn daden herinneren en in zijn naam en op zijn gezag het Verbond hernieuwen.
Arnold, pr

Ook wanneer wij ons geloof uitspreken in dat oude credo:

Jezus Christus, Gods enige Zoon, onze Heer…
die geleden heeft onder Pontius Pilatus
gekruisigd is, gestorven en begraven;
die nedergedaald is ter helle
de derde dag verrezen uit de doden
die opgevaren is ten hemel
en daar zit aan de rechterhand van God.

Scroll naar top