Tiberias

Orgelspel in de Veertigdagentijd

Wekelijks orgelspel als kruiswegbezinning door Koen Pauly

Als aanvulling op onze kruiswegbezinningen bezorgde huisroganist Koen Pauly, enkele Bach-koralen met toelichting. Na de eerste koraal hebben we wat moeten wachten op het vervolg, maar hieronder vind je al de opnames die hij ons tot hier toe bezorgde.

1 Koraal Herzlich Tut Mich Verlangen van J.S. Bach, BWV 727

2 Mit Fried und Freud ich fahr dahin (BWV 616)

3 Christus, der uns selig macht (BWV 620)

4 O Mensch, bewein dein Sünde gross (BWV 622)

Toelichting door huisorganist Koen Pauly:

1 Koraal Herzlich Tut Mich Verlangen van J.S. Bach, BWV 727
De eerste week gaan we meteen voluit in kruiswegbezinningssfeer met het koraal Herzlich Tut Mich Verlangen van J.S. Bach, BWV 727. Hoewel deze titel van het koraal niet direct aan de vasten gelinkt is (de titel verwoordt het verlangen naar een zaligbrengend levenseinde) herkennen we toch meteen de melodie als een lied dat innig met het lijdensverhaal verbonden is: ‘Befiehl du deine Wege’, of ‘O Haupt voll Blut und Wunden’, ook in Zingt Jubilate bekend als ‘O hoofd vol bloed en wonden’ (371).  Maar deze melodie (oorspronkelijk een liefdeslied van de laat 16e eeuwse componist Hans Leo Hassler, een zogenaamd contrafact dus, waarbij een populair wereldlijk lied voorzien wordt van een religieuze tekst), komt nog op talloze andere teksten, vaak aan het lijden refererend, terug in het kerkliedrepertoire.  Het oorspronkelijke lied legt dan ook de nadruk op het leed veroorzaakt door liefhebben.  J.S. Bach brengt het klagende karakter ervan weer bijzonder meesterlijk tot uiting, met zuchtende dissonanten, en expressieve harmonische kleuren, zonder zich daarbij op één specifieke tekstzetting van dit wijdverspreide lied te richten.  Deze compacte, maar toch veelzijdige zetting van het lied, behoort in een traditie van vele andere compacte koraalvoorspelen, die een echt praktisch nut hebben in de liturgie, maar vele van deze korte koralen zijn ongetwijfeld verloren gegaan.  Dit koraal bleef eerder per toeval bewaard, en vind je nu als appendix uitgegeven bij het Orgelbüchlein, een complete cyclus van dergelijke koraalbewerkingen en -voorspelen, waaruit ik de komende weken nog werken zal vertolken.  Omdat het een voorspel betreft dat de melodie omspeelt en de gemeenschap in de sfeer van het lied brengt, alvorens het lied daadwerkelijk wordt gezongen, speel ik na het koraalvoorspel een vierstemmige harmonische zetting van het lied, als zou het een begeleiding zijn voor de gemeenschapszang. Neem dus gerust het zangboek ter hand bij het beluisteren van deze opname, meezingen vanuit uw kot mag gerust :-).

2 Mit Fried und Freud ich fahr dahin (BWV 616)
Deze koraalbewerking uit het Orgelbüchlein van Bach is heel duaal van gevoel: het gaat over de mens in het aanblik van de dood, maar de dood wordt niet als verschrikking gezien, wel als slaap die troost brengt – als een voleinding van het leven die genoegdoening schenkt.

Mit Fried und Freud ich fahr dahin
In Gottes Wille,
Getrost ist mir mein Herz und Sinn,
Sanft und stille.
Wie Gott mir verheißen hat,
Der Tod ist mein Schlaf worden.

Met vrede en vreugde ga ik heen
In Gods wil
Mijn hart en geest zijn getroost
Zacht en stil
Zoals God mij beloofd heeft
De dood is mijn slaap geworden

Luther componeerde dit lied in 1524, hij schreef zowel de melodie als de tekst. De tekst is los gebaseerd op de lofzang van Simeon, uit het evangelie volgens Lucas: “Uw dienaar laat Gij, Heer, nu naar uw woord in vrede gaan” (Nunc Dimittis). Dit koraal hoort dus strikt genomen niet thuis in de veertigdagentijd, maar in het Orgelbüchlein (dat een chronologische bloemlezing wil zijn) is het opgenomen na de nieuwjaarskoralen en vlak voor de passiekoralen.  De dualiteit in thematiek maakt die brug ook: enerzijds de vreugde om dat vredevol heengaan, en anderzijds de rust en berusting in het nakend einde. In de muziek komt dat even goed tot zijn recht: in de middenstemmen hoor je een niet aflatende opeenvolging van een zogenaamd figura corta, een motiefje van een lange en twee korte noten, in snel tempo.  Dat zorgt voor een vreugdevol effect, het opspringen van het hart als het ware. Anderzijds is er de rustige melodie van het koraal, te herkennen in de bovenstem, in traag tempo. De rust wordt ook verklankt door een bescheiden registratie met achtvoetsregisters, die enkel de basistoon laten klinken zonder sterke boventonen. Op de plaatsen waar de woorden “stil” en “dood” in het koraal voorkomen, hoor je opeens een dalende toonladder, of zwijgen de middenstemmen even, een duidelijke verwijzing naar de tekst.   Nadien volgt een vierstemmige zetting van het koraal.

3 Christus, der uns selig macht (BWV 620)

In de Johannespassie (in de lange passies onderbreken koralen regelmatig als momenten van bezinning het verhaal) van Bach wordt het koraal “Christus, der uns selig macht” als opening van het tweede deel gezongen, net voor Jezus voor Pilatus wordt gebracht.  De tekst luidt:

Christus der uns selig macht,
kein Bös’ hat begangen,
der ward für uns in der Nacht,
als ein Dieb gefangen.
Geführt für gottlose Leut
und fälschlich verklaget,
verlacht, verhöhnt und verspeit,
wie denn die Schrift saget

Christus, die ons zalig maakt,
Geen kwaad heeft begaan,
Werd voor ons in de nacht,
Als een dief gevangen.
Gebracht voor godloze mensen
En valselijk beschuldigd,
Bespot, gehoond, en bespuwd,
Zoals de het geschreven stond

Hoewel ietwat fatalistisch – het stond geschreven en zo moest geschieden – beklemtoont dit koraal het zinloze karakter van het geweld dat Jezus wordt aangedaan: volledig onschuldig en zaligmakend voor de enen, voorwerp van spot en mishandeling voor de anderen. Dit koraal benoemt en verklankt het: aan het lijden is geen ontsnappen meer.  De doorgedreven chromatiek in de middenstemmen maakt dit ook pijnlijk voelbaar en benadrukt op die manier ook het onbegrijpbare van de gebeurtenissen en de onvermijdbaarbeid van de uitkomst. Bijzonder is de compositorische inventiviteit van Bach, die boven dit geweld blijft bovendrijven: de bovenstem en de bas-stem (met achtvoet in het pedaal) volgen elkaar in perfecte canon op (het pedaal volgt dus de melodie van de bovenstem, telkens met een halve maat vertraging ).

4 O Mensch, bewein dein Sünde gross (BWV 622)

Ook dit koraal komt uit het Orgelbüchlein, maar het neemt er toch een bijzondere plaats in.  Het is bijzonder lang, en een dergelijk lang uitgesponnen orgelwerk over een passiekoraal is zelfs voor Bach uitzonderlijk. Het raakt dan ook echt aan het fundament van de Christelijke moraal: we zijn er zelf niet in geslaagd het zondig juk van ons af te werpen, enkel Christus kon dat voor ons doen, maar enkel door hiervoor de zwaarste tol te betalen en een lange lijdensweg te gaan. Nu heeft Bach zelf steeds benadrukt dat bij het spelen van de orgelkoralen, die tot doel hadden de geloofsgemeenschap in de juiste sfeer van het te zingen lied te brengen, steeds de tekst en het affect voor ogen moet gehouden worden. Het hele lange koraal klinkt met warme harmonieën als verlossende zalf voor de zondige wonde, des te harder klinken dan ook de plots voorkomende dissonanten (spannend aanvoelende harmonieën) als verklanking voor het lijden dat die verlossing bracht.  Het hele koraal verloopt al traag, maar in de laatste maten verlaagt Bach het tempo nog naar een breed uitgerokken adagissimo, met een pijnlijk klinkende verlaagde zesde toontrap, om het lange lijden van Christus zo voelbaar mogelijk te maken. Ongetwijfeld zullen kerkgangers, met de blik op het kruis, na het horen van deze muziek, met een krop in de keel het koraal zeer doorleefd meegezongen hebben.  In de Matheuspassie van Bach wordt dit koraal gezongen als slotkoor van het lange 1e deel.

De titel Orgelbüchlein (“orgelboekje”) van de collectie waarin we deze koralen aantreffen, is wat misleidend. Het is in geen enkel opzicht klein. Bach begon er al aan te componeren in zijn periode aan het hof van Weimar.  Het bevat allemaal bewerkingen van Lutherse koralen, en van de bedoelde 164 koralen werden er uiteindelijk 46 bewaard.  Bach ordende ze chronologisch, als een jaarcyclus, met voor elke zondag gepaste koralen uit het jaargetijde.  De koralen zijn duidelijk bedoeld voor gebruik in de liturgie.  Later voegde Bach het titelblad toe met de vermelding: “Orgelboekje, waarmee een beginnende organist geleerd wordt op allerlei manieren een koraal te bewerken”, wat doet vermoeden dat Bach deze collectie als portfolio aanbood voor zijn aanstelling in Leipzig in 1722, waar hij als kandidaat cantor voor de Thomaskirche ook zijn pedagogische kwaliteiten dik in de verf moest zetten.  Ook die vermelding “beginnende” is misleidend: de manieren waarop de koraalbewerkingen gecomponeerd zijn, bestrijken alle mogelijke stijlen en moeilijkheden uit de 18e eeuwse contrapuntische orgelmuziek.

Scroll naar top